Waarschijnlijk ken je de betekenis van dit spreekwoord maar waar komt het vandaan?

Als onderdeel van de klederdracht in Twente droegen de vrouwen doorgaans een hoofddeksel. Thuis een gebreide en/of gehaakte huismuts, doordeweeks op straat de eenvoudige "plooimuts", en op zon- en feestdagen de kanten knipmuts. Hoe rijker de boer was des te mooier was de muts van zijn vrouw en dochters. Breed kant in de nek en een groot aantal plooien getuigden van veel geld. Vandaar het spreekwoord: "Wie het breed heeft, laat het breed hangen".

Om de muts schoon te houden en het kant goed uit te doen komen droeg men hieronder een zwart ondermutsje. Het demonteren, wassen, stijven en opnieuw opmaken van de plooimuts en de knipmuts was veel werk. Met behulp van plooiijzers, -rekjes en veel stijfsel werden de ronde en scherpe plooien steeds weer in orde gemaakt. In de vitrine hiertegenover zie je nog zo’n plooiijzer.

Kijk hier beneden voor een interessante uitleg:

Wie het breed heeft laat het breed hangen,

(Het verhaal over de knipmuts)