Aan de hand van een aantal oude (naai)machines kunnen we goed de ontwikkeling van borduurmachines laten zien. Het museum heeft een klein oud naaimachinetje dat een kettingsteek produceert. Deze machine is van het merk Singer en is omstreeks 1910 geproduceerd. Deze zogenaamde kettingsteekmachine is bijzonder, omdat hij aan de onderzijde van de stof een bredere kettingsteek maakt, terwijl er aan de bovenzijde van de stof sprake is van een rechte, enkele stiksteek. Ten opzichte van de vroegere machines, die zowel aan de boven- als onderzijde van de stof alleen de enkele stiksteek kenden, had deze bredere kettingsteek het grote voordeel dat de stof er veel rekbaarder door werd.

 

Rond 1920 was er in Sachsen, in het oostelijk deel van Duitsland, in het Ertsgebergte nabij de Tsjechische grens, een techneut, die de voornoemde kettingsteek graag aan de bovenkant van het naaiwerk zag verschijnen. Deze bredere ketting kon dan het produceren van borduurwerk veel sneller maken. Zo ontstond de kurbel-machine met een kettingsteek aan de bovenkant en een enkele stiksteek aan de onderzijde van de stof. Onder de machine was een slinger aangebracht (de kurbel) waaraan je kon draaien om omsloten vlakken in het borduurpatroon sneller op te vullen met de bredere kettingsteek. Het museum bezit zo’n aparte machine van de firma Lintz en Eckhardt uit Berlijn. Ook deze machine stamt uit de jaren twintig van de vorige eeuw.

Tegelijkertijd werden ook andere technieken geprobeerd. Zoals het koppelen van een aantal naaimachines aan een pantograaf waarmee een patroon kon worden afgetast. Een voorbeeld daarvan zijn onze 6 gekoppelde Singer rechtsteek machines van De Lange & Jonker. Deze machines waren in staat verfijnd borduurwerk te maken en zijn in 1908 in het Schotse Clydebank bij Glasgow geproduceerd.

Ontwikkeling in borduurwerk

Kettingsteek aan de onderkant

De L&E karbeel borduurmachine